De toestand van vloeibaarheid van het bloed wordt bepaald door een evenwicht tussen bloedstollingsremmende en bloedstollingsactiverende stoffen. Een verstoring van dit evenwicht kan leiden tot een hemorragie (bloeding) of tot een trombose (klonter).
Een ernstige hemorragie kan levensgevaarlijk worden wanneer ze de bloeddruk plots sterk doet dalen. De manier waarop men de bloeding onder controle moet krijgen, wordt bepaald door de plaats waar het lichaam gekwetst is en door de hoeveelheid bloedverlies.
Externe bloedingen kan men behandelen door het plaatsen van kompressen, terwijl het stoppen van een interne bloeding meestal een chirurgische ingreep vereist. Men kan echter ook bepaalde geneesmiddelen gebruiken, zoals anti-fibrinolytica, om de omvang van de bloeding te beperken.
Bepaalde omstandigheden, zoals immobilisatie, kunnen de bloedcirculatie vertragen. Dit kan leiden tot de vorming van een bloedklonter in de onderste, maar ook in de bovenste ledematen. De behandeling wordt opgestart in functie van de lokatie en de evolutie van de aandoening: locale adercontentie, toediening van anticoagulantia of toediening van trombolytica.